‘Go where no bellyboater has gone before’

‘Go where no bellyboater has gone before’

Elektrisch bellyboaten
‘Go where no bellyboater has gone before’

Nu het seizoen weer geopend is en de watertemperatuur verder stijgt breekt dé tijd aan voor fanatieke bellyboatvissers. Nu de vis echter een stuk actiever is is het grote nadeel dat het voortdurende verkassen met een bellyboat niet altijd even prettig is, wind, afstand en beperkte snelheid gaan dan parten spelen. Een revolutionaire uitvinding van Tom’s vismaat, biedt voortaan de oplossing voor
deze problemen!

Niemand weet wie de eerste was die in een bellyboat ging zitten, maar er zijn
best wel wat theorieën over. Was het een boerenknecht in de VS, die zijn vrije uurtjes op de boerderijvijver doorbracht in een tractorband? Was het een Californische surfdude, die eind jaren ’50 vissen onder zich zag terwijl hij aan het surfen was en daarna besloot om zichzelf en zijn hengels maar eens in een autobinnenband te hijsen en het ruime sop te kiezen? Of misschien was het wel een Nederlander, want in de Collectie Spaarnestad van het Nationaal Archief zit een foto uit 1915, in de categorie ‘weird vehikels’: ‘gekke voertuigen’. Volgens het bijschrift gaat het om een man die ‘een pneumatische sport- vis- en jachtboot’ demonstreert op het IJ in Amsterdam: ‘Zijn benen steken eronder uit, omhuld met laarzen’. De foto verscheen destijds in het blad Het Leven. Geïllustreerd, dat in feite een sensatieblad was…

Wat er ook van zij, er is de voorbije 70 jaar heel erg veel veranderd in bellyboatland. Rond het eind van de jaren ’40 van de vorige eeuw kwam de allereerste commerciële belly- boat op de markt: de Float-n-Tote Tube, van de Tucker Duck & Rubber Company uit de VS. In feite waren het tractorbinnenbanden, overdekt met canvas. Je kon er midden in gaan staan en dankzij speciale schouder- riemen, kon je er vervolgens ook mee rondlopen, want dat was één van de hoofdbedoelingen van deze zeer pri- mitieve bellyboat: hij liet de wadende vissers toe om ook diepere stukken van de rivier veilig te passeren. Pas in de jaren vijftig werden bellyboats iets luxueuzer: toen kwamen er tas- sen op te zitten en hengelsteunen. In de decennia daarna begon men met materialen te experimenteren.

Dat canvas was veel te onderhoudsin- tensief en woog als lood, en dus zocht en vond men alter- natieven. Wie de details wil weten, zou het interessante stuk van Bob Wiltshire eens moeten lezen over de geschiedenis van de bellyboat.
Toen ik met bellyboaten begon, inmiddels alweer meer dan 15 jaar geleden, kon je kiezen uit een U-vormige boot of een ronde. Ze hadden één ding gemeen: je zat tot aan je middel in het water – vandaar de naam ‘buikboot’, die destijds wel gebruikt werd. Latere modellen maakten daar komaf mee: je kwam toen ‘hoog en droog’ – ‘Hi & Dry’ luidde de naam van een van de bekendste boten van toen – te zitten, met enkel je kuiten onder water. Dat was weliswaar iets wind- gevoeliger, maar toch wel een stuk comfortabeler, vooral bij het instap- pen en op koude dagen. Een vijftal jaar geleden kwam dan de ‘tubeless- revolution’: de kwetsbare bladders verdwenen en voortaan werden bellyboats vervaardigd uit een zeer stevig PVC-achtig materiaal, een beetje zoals dat van een Zodiac. De eerste versies daarvan waren loodzwaar, maar inmiddels zijn ook die dingen beschikbaar in gewichten van hoog- uit zes kilogram. Ik heb zelf meegewerkt aan de ontwikkeling van de Floatmaster Ultralight en die is licht en toch oersterk.

Tegenwoordig zijn bellyboats alles- behalve ‘weird vehikels’. Steeds vaker zie je ze ronddrijven op onze wateren. Op kleinere plassen, maar ook op de allergrootste wateren, zoals het Hollands Diep, het Haringvliet en de Randmeren, en op de rivieren zijn deze drijvende fauteuils een normaal gezicht geworden. Op Facebook springen de bellyboatfora als paddenstoelen uit de grond, en er worden steeds meer wedstrijden georganiseerd, tot een NKS en wedstrijden voor specifieke vissoorten toe.

De bellyboatvisserij is dus overduidelijk aan een opmars bezig, en terecht! Het is een fantastische manier van vissen, waaraan een aantal aanzienlijke voordelen vast zit. Een bellyboat is veel goedkoper dan een boot, zowel qua aanschaf als qua onderhoud. Je hebt er ook geen stalling, trekhaak of 4×4 voor nodig. Je kunt vissen op plekken waar geen boten kunnen komen omdat er geen helling is, of omdat ze te ondiep zijn. Je kunt extreem precies vissen, omdat je minder snel afdrijft dan met een boot. Nadat je een beetje ervaring hebt opgedaan, kan je de ‘benenmotor’ zonder nadenken gebruiken om een talud haarscherp af te vissen. Je bent discreter, omdat je volume nu eenmaal veel kleiner is dan met een boot en omdat je minder onnatuurlijke geluiden produceert dan als je zit te stampvoeten op aluminium of polyester. Ik vermoed dat dieren soms denken dat wij een zwaan zijn of zoiets, want meer dan eens is het me opgevallen hoe dicht je bijvoorbeeld bij watervogels of karpers kunt komen voor ze zich uit de vinnen maken. Een vriend van me maakte zelfs mee dat een bever hem hoogst- persoonlijk kwam wegjagen uit zijn territorium! vergeet je reepjes sportvoeding niet! En als je aan lager wal bent geraakt bij een beetje wind, is het soms een crime om terug te peddelen. Het is me al meermaals overkomen dat het gewoon niet lukte en dat ik dan maar besloot om met de bellyboat op de rug terug te wandelen…

Mijn bellyboatvismaat Maikel Lambregts is al vele jaren een bellyboatfanaat in hart en nieren. Meerdere keren per week is hij op het water te vinden om zijn lievelingsvis te belagen: snoekbaars. Het is een vriendelijke en behulpzame mens, een levensgenieter, een extreem goede verticaalvisser en… zo’n beetje de handigste persoon die ik ooit heb ontmoet. Verwarmde zooltjes voor in je waadpak (hij beschreef ze enige jaren geleden in dit blad), een ultralichte steun voor je visvinder, een zelfgemaakte shad: elk seizoen opnieuw verrast hij me met een van zijn nieuwe uitvindingen. Een paar jaar geleden kwam hij plots met

EEN MAN MET EEN PLAN

Bellyboats hebben echter ook nadelen. Grote nadelen zelfs. Je moet spot-on zijn, want je actieradius is beperkt. Snel even een halve kilometer verderop gaan kijken is er niet bij: dat kost je veel tijd en verzuurde spieren. En geloof me vrij: wie ooit al eens in allebei zijn kuiten kramp heeft gehad, wil dat niet nog eens meemaken. Ook vistechnieken waar wat snelheid voor is vereist, zijn niet echt praktisch. Een rondje fluks trollen? Vergeet het maar…

Een slakkengangetje, dat gaat nog wel, maar 3 kilometer per uur hou je niet vol. Diagonalen op tempo als er geen wind is? Ik wens je veel sterkte toe. Het gaat wel, maar de visserij begint meer op sportschool te lijken dan op ontspanning. Lekker verticalen op een stromende rivier? Succes – maar een elektromotor op zijn bellyboat aanzetten. Ik lachte hem vierkant uit, met zijn afgrijselijk zware semitractie accu achterin en het half uur werk dat hij had om dat ding te monteren – maar desondanks moest ik na afloop van een winderige visdag toegeven dat ik er het nut wel van in zag.

Maikel bleef door broeden op zijn idee en werkte het steeds meer uit. Zijn motor werd steeds ingenieuzer (met een draaiknop in de plaats van een hendel, bijvoorbeeld), maar het bleef me te veel gedoe. Nadat hij de beschikking over een 3D-printer had gekregen, raakte zijn project in een stroomversnelling.

Hij maakte een lichtgewicht motor die niet meer achteraan de bellyboat, maar eronder gemonteerd werd. Dat ding kon hij traploos bedienen met een schakelaar, die hij met een kabeltje aan de motor had verbonden. De volgende stap was het draadloos maken van zijn afstandsbediening, en het extreem reduceren van het gewicht van de accu door met lithium- ion batterijen te beginnen werken die hij in een waterdicht koffertje onder- bracht.

In 2015 geleden had hij twee van die dingen klaar (ik zei het je al: hij is erg aardig en had er dus ook een voor zijn vismaatje gemaakt!), die twee jaar lang extreem grondig werd getest. Maikel had namelijk nog een droom: zijn uitvinding op de markt brengen zodat de hele viswereld van zijn geliefde bellyboat- visserij zou kunnen genieten – ook mensen die het fysiek niet meer zo makkelijk hebben. Pas na deze twee jaar was hij volledig tevreden over zijn uitvinding, zodat hij ze met een gerust gemoed op grote schaal kon beginnen produceren en te koop aan- bieden.

Float Plus was geboren – een spiksplinternieuw bedrijf in de hengelsportwereld met als hoofdproduct een krachtige, stevige, gebruiksvriendelijke en ultralichte elektromotor.

REVOLUTIE IN BELLYBOATLAND

Ik was zo gelukkig om Maikel een heleboel keren te kunnen vergezellen bij zijn testvisdagjes en kan dus zeggen dat ik de mogelijkheden en beperkingen ervan heel goed ken. Ik kan kort zijn over de beperkingen: die zijn er niet. Natuurlijk, als je deze motor naast een 50 PK benzinemotor op een dikke motorboot legt dan kom je nergens, maar dat is geen faire vergelijking. Als je echter denkt in termen van wat een bellyboat standaard kan, dan zijn de mogelijkheden extreem veel groter geworden.

Wij hebben lange, lange dagen geverticaald op groot water met een stevige golfslag en zelfs stroming – zoals het Haringvliet –, zonder moe te worden. Saillant detail: met een bellyboat bleken we veel minder last te hebben van wind en golven dan een gewone boot, zodat wij er (uiteraard in een reddingsvest gehesen: veiligheid boven alles!) op uit konden als de meesten noodgedwongen thuis bleven.

We hebben op de hard stromende Maas gevist zonder ons dood te moeten flipperen om te plekke te blijven. We konden op plekken komen die kilometers van de dichtstbijzijnde instapplaats lagen zonder de halve dag kwijt te zijn aan onze verplaatsing. Sterker nog: we overbrugden die afstand al trollend met pluggen met vier kilometer per uur en vingen en passant soms zelfs nog enige snoeken!

Hetzelfde deden we op monotone kanalen: lekker de kantjes uitslepen. Als de snoekbaarzen ’s winters weer eens op non-actief stonden, besloten we om te gaan speed-diagonalen: een techniek die ze vaak plots toch agressief kan maken. Ze pakken het aas dan niet omdat ze honger hebben, maar in een reflex – de Amerikanen noemen dat ‘reaction strikes’. Het werkte verbluffend goed: we gingen parallel aan elkaar liggen om de oevers te volgen van de rivierplas, waarbij we elk een andere diepte aanhielden. In een mum van tijd wisten we waar we de stekelbeesten moesten zoeken. Als we er ergens een paar na elkaar vingen, kamden we die plek vervolgens secuur uit aan een heel traag tempo, en dat leverde meestal nog de nodige vissen op…

Met de hand op het hart kan ik zeggen dat ik mij tegenwoordig zwaar gehandicapt voel als ik geen zo’n motortje onder mij heb hangen als ik aan het bellyboaten ben. Door Maikels uitvinding zal de gehele bellyboatscene nooit meer dezelfde zijn!

ZOMAAR EEN VISDAG

Men moet het meegemaakt hebben om ten volle te begrijpen, en daarom wil ik jullie meenemen op de laatste visdag van het vorige seizoen, eind maart 2017, zodat jullie kunnen lezen hoe anders mijn bellyboatvisdagen er tegenwoordig uit zien. Maikel en ik hebben besloten om op de Randmeren te vissen. Hier wordt best wel veel ge-bellyboat, maar dan vrijwel altijd in dezelfde zones omdat je niet op heel erg veel plekken comfortabel te water kunt als bellyboater. In een paar minuten zijn onze vaartuigen ‘ready for action’ en ‘off we go: go where no bellyboater has gone before’ (je hoort het: ik voelde me hip). We volgen de vaargeul gedurende een kilometertje of zo. Het is windstil en dus kunnen we makkelijk vijf kilometer per uur halen, maar 3,5 vinden wij prima om twee dikke pluggen te laten meezwemmen.

Helaas hebben de snoeken geen zin in onze getrolde aasjes. We komen bij een mooie ondiepe kant met rietkragen. Ik ken deze zone goed omdat ik ze regelmatig vanuit mijn boot bevis: vooral met jerkbaits zijn er soms goeie zaken te doen. Ik houd de boot dan in de vaargeul en werp zo ver ik kan het ondiep op. De aanbeten komen soms op het verst van mijn worp. Deze aanpak levert twee vissen op, die van zo’n 80 cm water komen. Ik besluit het ondiep op te varen. Met de boot gaat dat niet (ik ben mijn schroef niet beu), maar deze bellyboat motor heeft een diepgang van 26 cm zodat ik nergens voor hoef te vrezen. Tenslotte hangen mijn benen net zo diep in het water als de schroef: ik word dus tijdig gewaarschuwd als ik echt dreig te stranden. Door zo ondiep te gaan kan ik vlak tegen het riet gooien, wat me vanuit de boot nooit lukt – en ja hoor: daar blijkt nog een leuke snoek te staan! We zoeken het diepe weer op: zouden ze trek hebben in een langs het talud huppelend shadje?

Het is inmiddels wat gaan waaien, maar ik stel de motor zo in dat hij de wind ‘doodvaart’ zodat ik perfect ter plekke blijf liggen: ideaal voor deze werpende visserij met lichte loodkoppen. Met een doffe bonk op mijn hengeltop meldt zich de grootste snoek van de dag, die na een stevige dril rond de meter blijkt te zijn.

Maikel is inmiddels aan een slakkengangetje aan het verticalen geslagen: taluudje op, taluudje af. Zijn flippers gebruikt hij enkel om te sturen, de motor doet de rest. Hij wordt voor zijn secure visserij beloond met een snoek die met de metergrens flirt. Als ik het zo allemaal in een paar zinnen opschrijf, lijkt het alsof we uitstekend vingen, maar dat is dus niet zo: we zijn nu het betere deel van de dag bezig en hebben een handvol vissen gevangen. Dat is soms wel eens anders op dit meer…

De vissen die we vingen, zaten helemaal vol met bloedzuigers, waardoor we weten dat ze plat op de bodem liggen. Ik besluit om te gaan backtrollen, een techniek waarover Henk Simonsz al heeft geschreven in dit blad (en in zijn boek) en die Wilfred van Nunen me liet zien enige jaren geleden tijdens een visdagje op het benedenrivierengebied.

De waarheid van wat beide heren me erover gemeld hebben heb ik al meermaals ondervonden: op die dagen dat de vis strak tegen de bodem ligt te liggen, is een langzaam voorbij schuifelende, niet frivool huppelende grote shad op een zware loodkop vaak het enige waar ze niét aan kunnen weerstaan. Ik maak meters, vele meters – netjes langs de rand van de vaargeul. En dan komt daar weer zo’n klap om ‘u’ tegen te zeggen…

De vis neemt geen runs, maar stompt – gek gedrag voor een snoek, flitst het door mijn hoofd. Na een best lange dril breekt een hanenkam door
het oppervlak: een kolossaal zwaar gebouwde snoekbaars heeft de Yolo- shad gegrepen en kijkt me nu heel gemeen aan…

Ik zit op een wolk: wat een machtig dier! Ik grijns van oor tot oor als Maikel de plaatjes schiet, en die grijns verdwijnt niet meer van mijn gezicht tot we, lekker ontspannen keuvelend met onze flippers boven water, grapjes makend, genietend van de ondergaande lentezon – terwijl de motor onder onze billen ons lieflijk gonzend naar onze instap plaats brengt…

Begrijpt u nu waarom ik zo gek ben op dit systeem, en zo trots op mijn vismaatje, die opnieuw, een eeuw na de Amsterdamse ‘bellyboat’ waarmee ik dit artikel begon, een helemaal in Nederland uitgedokterd ‘weird vehikel’ heeft ontwikkeld?

Tom Sintobin